Er bleef er maar één over

‘Mama? Waar blijf je nu toch?’ Mijn stem klinkt schor in de lege keuken. De klok tikt luid, elke seconde lijkt een eeuwigheid. Buiten is het al donker, de straatlantaarns werpen een gelige schijn op de natte stoep. Ik draai met mijn rolstoel naar het raam en kijk naar beneden, hopend haar silhouet te zien. Maar de straat is leeg. Mijn hart bonkt in mijn borstkas.

Ik pak mijn gsm, duw met trillende vingers op haar nummer. ‘Abonnee niet bereikbaar,’ zegt de monotone stem. Ik zucht diep. Mijn belkrediet is bijna op, dus ik zet het toestel uit. Mama is naar de winkel gegaan, gewoon om wat brood en melk te halen. Dat doet ze elke dag, maar vandaag is ze al uren weg. Zoiets is haar nog nooit overkomen.

Mijn gedachten razen. Wat als er iets gebeurd is? Wat als ze gevallen is, of erger? Ik probeer mezelf gerust te stellen. ‘Rustig, Julia. Ze is vast gewoon opgehouden door een buurvrouw, of de tram had vertraging.’ Maar diep vanbinnen weet ik dat er iets niet klopt.

Plots hoor ik de voordeur. Mijn hart slaat een slag over. Maar het is niet mama. Het is mijn broer, Thomas. Hij smijt zijn rugzak op de grond en kijkt me aan. ‘Waar is mama?’ vraagt hij, zijn stem klinkt kortaf.

‘Ze is nog niet terug van de winkel,’ antwoord ik zacht. Hij fronst. ‘Dat kan niet. Ze is al sinds vier uur weg. Heb je haar gebeld?’

‘Ja, maar haar gsm staat uit of zo. Abonnee niet bereikbaar.’

Thomas vloekt zacht. ‘Altijd hetzelfde. Altijd problemen.’ Hij loopt naar de koelkast, trekt hem open en smijt hem weer dicht. ‘Niks te eten. Altijd hetzelfde in dit huis.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het is niet haar schuld,’ fluister ik. Maar Thomas hoort het niet, of wil het niet horen. Hij pakt zijn jas weer en stormt naar buiten. ‘Ik ga haar zoeken,’ roept hij nog. De deur slaat dicht.

Ik blijf alleen achter. De stilte is nu nog zwaarder. Ik probeer mezelf bezig te houden, draai rondjes met mijn rolstoel, kijk naar de foto’s op de kast. Mama, Thomas en ik, op vakantie aan de Belgische kust. We lachen, de zon schijnt. Alles leek toen nog zo eenvoudig. Maar sinds papa weg is, is alles veranderd.

Papa heeft ons vorig jaar verlaten. Hij kon het niet meer aan, zei hij. Mijn handicap, de financiële zorgen, de ruzies. Hij is naar zijn nieuwe vriendin in Gent verhuisd. Sindsdien is mama alleen, en moeten Thomas en ik het samen zien te redden. Maar Thomas is boos, altijd boos. Op mama, op mij, op de hele wereld.

De uren kruipen voorbij. Het wordt later en later. Ik hoor het getik van de regen tegen het raam. Mijn maag knort, maar ik durf niet naar de keuken te gaan. Wat als mama thuiskomt en ik ben er niet? Wat als Thomas terugkomt en hij is nog bozer?

Plots rinkelt de huistelefoon. Ik schrik zo erg dat ik bijna uit mijn rolstoel val. Met moeite rol ik naar het toestel. ‘Hallo?’

‘Met inspecteur De Smet van de politie Brussel. Spreek ik met Julia Van den Broeck?’

Mijn hart staat stil. ‘Ja, dat ben ik.’

‘Is uw moeder, mevrouw Van den Broeck, thuisgekomen?’

‘Nee, ze is nog steeds weg. Is er iets gebeurd?’ Mijn stem trilt.

‘We hebben haar gevonden, maar ze is gewond geraakt bij een overval in de buurt van de supermarkt. Ze is nu in het ziekenhuis. Uw broer is daar al naartoe. Kunt u iemand bellen om u te brengen?’

Ik voel de grond onder me wegzakken. ‘Ik… ik kan niet alleen naar het ziekenhuis. Ik zit in een rolstoel. Mijn vader woont niet meer bij ons.’

‘We sturen een patrouille om u op te halen, Julia. Blijf rustig, oké?’

Ik knik, al kan hij dat niet zien. ‘Dank u, meneer.’

De minuten tot de politie arriveert, lijken uren te duren. Ik probeer mijn tranen te bedwingen, maar het lukt niet. Waarom gebeurt dit allemaal? Waarom moet alles zo moeilijk zijn?

De agenten zijn vriendelijk. Ze helpen me in de wagen, praten zachtjes tegen me. In het ziekenhuis zie ik Thomas in de gang. Zijn ogen zijn rood van het huilen. ‘Ze leeft nog,’ zegt hij schor. ‘Maar ze is zwaar toegetakeld. Ze moet geopereerd worden.’

Ik voel me schuldig. Had ik haar maar niet laten gaan. Had ik haar maar tegengehouden. Maar wat kon ik doen? Ik ben afhankelijk van haar, van iedereen. Zelfs nu, in deze koude ziekenhuisgang, voel ik me machteloos.

De dagen daarna zijn een waas. Mama ligt op intensieve zorg. Thomas en ik slapen om de beurt bij haar bed. De familie komt langs, maar niemand weet wat te zeggen. Mijn tante Martine zegt: ‘Het komt wel goed, meisje.’ Maar ik zie de twijfel in haar ogen.

De sociale dienst komt praten. ‘Jullie kunnen voorlopig niet alleen thuis blijven,’ zegt een mevrouw met een zachte stem. ‘We zoeken een oplossing.’

Thomas wordt woedend. ‘We hebben niemand nodig! Ik ben achttien, ik zorg wel voor Julia!’

Maar ik weet dat hij liegt. Hij kan het niet aan. Hij is nog maar een kind, net als ik.

Na een week mag mama naar huis, maar ze is veranderd. Ze is bang, schrikachtig. Ze durft niet meer alleen naar buiten. Thomas wordt steeds stiller. Hij komt laat thuis, ruikt naar sigaretten en drank. Ik hoor hem soms huilen op zijn kamer.

Op een avond barst de bom. Mama schreeuwt tegen Thomas: ‘Waarom doe je zo? Waarom maak je het me zo moeilijk?’

Thomas schreeuwt terug: ‘Omdat ik het niet meer aankan! Alles is kapot sinds papa weg is! Jij bent altijd moe, Julia heeft altijd hulp nodig, en ik… ik besta gewoon niet!’

Ik rol de kamer binnen. ‘Stop alsjeblieft,’ fluister ik. ‘We hebben elkaar nodig. We zijn toch een familie?’

Maar niemand luistert. De ruzie gaat door, tot mama in tranen uitbarst en Thomas de deur uitstormt. Ik blijf achter, alleen met mama. Ze zakt op de grond en ik zie haar schouders schokken van het huilen.

‘Sorry, Julia,’ snikt ze. ‘Ik kan niet meer. Ik ben zo moe.’

Ik pak haar hand. ‘We komen hier samen door, mama. We moeten gewoon volhouden.’

Maar diep vanbinnen weet ik dat het nooit meer wordt zoals vroeger. De angst, de onzekerheid, het gevoel dat alles elk moment kan instorten – het blijft.

Soms vraag ik me af: hoe lang kunnen we dit nog volhouden? Hoeveel kan een mens verdragen voor hij breekt? Misschien zijn we allemaal al een beetje gebroken. Wat denken jullie? Hoe zouden jullie omgaan met zo’n situatie?