“Ik ben niet hongerig, alleen verdrietig” – Mijn strijd met armoede en schaamte in de schoolrefter

‘Ge hebt niet genoeg, jongen.’

Die woorden sneden als een mes door mijn borst. Ik stond daar, aan het loket van de refter van het Sint-Bavohumaniora in Gent, met mijn muntjes in mijn zweterige hand. De geur van warme stoofvlees met frieten vulde de ruimte, maar mijn maag kromp samen van schaamte. Achter mij hoorde ik het ongeduldige gesnuif van de andere leerlingen. ‘Komaan, Simon, schiet op!’ riep Jeroen, die altijd alles leek te hebben: merkkleren, een nieuwe fiets, en een moeder die hem elke dag kwam ophalen met een glimlach.

Ik voelde mijn wangen gloeien. ‘Sorry, mevrouw,’ stamelde ik. ‘Misschien kan ik gewoon een boterham nemen?’

De refterdame keek me even aan, haar blik zacht maar ook medelijdend. ‘Het is oké, Simon. Maar volgende keer moet je wel genoeg betalen, hé.’

Ik knikte en liep snel naar een tafeltje in de hoek. Mijn boterham met kaas smaakte naar karton. Ik probeerde niet te kijken naar de dampende schotels van mijn klasgenoten. Mijn grootmoeder had vanochtend haar portemonnee omgedraaid en mij haar laatste euro’s gegeven. ‘Ge moogt het niet zeggen tegen uw moeder, Simon,’ had ze gefluisterd. ‘Ze heeft het al moeilijk genoeg.’

Thuis was het altijd stil als mama thuiskwam van haar werk in de Colruyt. Ze was moe, haar handen ruw van het rekken vullen en haar ogen dof van zorgen. Papa was al jaren weg, ergens in Wallonië met zijn nieuwe vriendin. Soms stuurde hij een kaartje met Kerstmis, maar meestal vergat hij zelfs dat.

Die avond zat ik aan tafel met mijn grootmoeder. Ze sneed de aardappelen in dunne plakjes en probeerde te glimlachen. ‘Hebt ge goed gegeten op school?’ vroeg ze voorzichtig.

Ik knikte, maar voelde de leugen als een steen in mijn maag. ‘Ja, mamie. Het was lekker.’

Ze legde haar hand op de mijne. ‘Simon, ge moet u niet schamen. Ge zijt een goeie jongen.’

Maar ik schaamde mij wél. Op school werd er gelachen met mijn oude schoenen en mijn tweedehands boekentas. Tijdens de turnles probeerde ik mijn gaten in mijn sokken te verbergen. Op woensdagmiddag als iedereen naar de Quick ging, fietste ik snel naar huis om te doen alsof ik geen honger had.

Op een dag hoorde ik Jeroen fluisteren tegen Sofie: ‘Simon stinkt altijd naar oud brood.’ Ze giechelde en keek snel weg toen ik hen aankeek. Mijn hart bonsde in mijn keel. Waarom was ik niet gewoon zoals hen? Waarom moest ik altijd vechten voor een beetje waardigheid?

De spanning thuis werd erger toen mama haar uren verloor in de winkel. Ze zat vaak zwijgend aan tafel, haar hoofd in haar handen. ‘Het is allemaal mijn schuld,’ mompelde ze eens toen ze dacht dat ik sliep. ‘Simon verdient beter dan dit.’

Op een avond barstte het los. Mama kwam thuis en vond een brief van school: achterstallige betaling voor de reftermaaltijden.

‘Simon! Waarom heb je niets gezegd?’ Haar stem trilde van woede en verdriet.

‘Ik wilde u niet lastigvallen,’ fluisterde ik.

Ze sloeg haar hand voor haar mond en begon te huilen. Mamie kwam erbij staan en sloeg haar arm om mama heen.

‘We geraken hier wel door,’ zei mamie zacht.

Maar ik voelde me kleiner dan ooit.

De volgende dag op school probeerde ik onzichtbaar te zijn. Tijdens de pauze kwam meester Van den Bossche naast me zitten op de speelplaats.

‘Simon, alles oké thuis?’ vroeg hij voorzichtig.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Weet je,’ zei hij, ‘ik ben zelf opgegroeid met weinig geld. Maar dat bepaalt niet wie je bent.’

Ik keek hem aan en zag dat hij het meende.

Toch bleef het gevoel knagen. Elke dag opnieuw die strijd: niet alleen tegen de honger, maar vooral tegen de schaamte. Tegen het gevoel dat je minder waard bent omdat je minder hebt.

Op een dag kwam mamie me ophalen aan school. Ze droeg haar beste jas – die eigenlijk ook al jaren oud was – en glimlachte breed.

‘Simon, we gaan samen naar het OCMW,’ zei ze vastberaden.

Ik wilde protesteren, maar ze kneep bemoedigend in mijn hand.

Bij het OCMW werden we ontvangen door mevrouw De Wilde, een vrouw met grijs haar en warme ogen.

‘Simon, jij bent hier altijd welkom,’ zei ze terwijl ze ons uitlegde welke steun we konden krijgen.

Het voelde als een opluchting én als een nederlaag tegelijk. Alsof ik officieel toegegeven had dat we arm waren.

Toch veranderde er iets na dat bezoek. We kregen maaltijdcheques voor school en mamie kreeg hulp bij haar rekeningen. Mama lachte weer wat vaker – al bleef het moeilijk.

Op school merkte ik dat sommige leerkrachten anders naar me keken: niet meer met medelijden, maar met respect omdat ik bleef doorzetten.

Toch bleef er iets wringen tussen mij en Jeroen. Op een dag na de les sprak hij me aan bij de fietsenstalling.

‘Simon… Sorry van laatst,’ mompelde hij terwijl hij naar zijn schoenen keek.

Ik wist niet wat te zeggen. Woede en opluchting vochten om voorrang in mijn hoofd.

‘Het is oké,’ zei ik uiteindelijk zacht.

We fietsten samen naar huis die dag – voor het eerst zonder woorden, maar ook zonder schaamte.

Nu ben ik achttien en kijk ik terug op die jaren vol strijd en verdriet, maar ook vol liefde van mamie en mama. Ik studeer nu sociaal werk aan de Arteveldehogeschool omdat ik anderen wil helpen die zich net zo verloren voelen als ik toen.

Soms vraag ik me af: waarom is armoede nog altijd zo’n groot taboe? Waarom durven we niet praten over wat het écht betekent om elke dag te moeten kiezen tussen eten of warmte?

Misschien kunnen we samen dat gesprek eindelijk openen.