De Nacht Dat Alles Veranderde: Een Vlaamse Studentenflat, Een Ouijabord en Mijn Gebroken Familie

‘Geloof jij daar nu echt in, Sofie?’ Mijn stem trilde terwijl ik naar het ouijabord keek dat op de salontafel lag. De kamer was gevuld met spanning, de gordijnen dichtgetrokken tegen de kille Leuvense nacht. Sofie, de zus van mijn kotgenoot Pieter, keek me uitdagend aan. ‘Komaan, Thomas, het is gewoon voor de fun. Iedereen doet dat toch eens?’

Ik slikte. Mijn vrienden – Pieter, Bram en Jeroen – zaten al klaar, hun ogen glinsterden van nieuwsgierigheid en een vleugje angst. Sofie had haar vriendinnen meegenomen: Els en Anke, die giechelden maar hun zenuwen niet konden verbergen. ‘Allez, wie begint?’ vroeg Bram, zijn stem net iets te luid.

We legden onze vingers op het glas. Sofie fluisterde: ‘Is er iemand hier?’

Het glas begon te bewegen. Eerst aarzelend, dan sneller. ‘W-O-J-T-E-K’, spelde het. Iedereen keek elkaar aan. ‘Wie is Wojtek?’ vroeg Els met grote ogen.

‘Dat is geen Vlaamse naam,’ mompelde Jeroen. ‘Misschien een Poolse student?’

Het glas gleed verder: ‘D-O-O-D’. Mijn hart bonsde in mijn keel. ‘Dit is niet grappig meer,’ zei ik, maar niemand luisterde.

‘Hoe ben je gestorven?’ vroeg Sofie zachtjes.

‘O-N-G-E-L-U-K’, antwoordde het bord. De kamer werd ijzig stil.

Plots viel de elektriciteit uit. Iemand gilde. In het donker voelde ik een koude hand op mijn schouder. Ik sprong op en stootte het glas van tafel. Het brak met een scherpe knal.

De dagen daarna was niets meer hetzelfde. Pieter werd stiller, Bram kreeg nachtmerries en Jeroen trok zich terug in zijn kamer. Sofie leek geobsedeerd door het bord; ze probeerde het opnieuw en opnieuw, tot haar moeder het in woede verbrijzelde.

Mijn eigen nachten werden gevuld met onrustige dromen over een jongen met donkere ogen die me iets probeerde te vertellen. Overdag probeerde ik me te concentreren op mijn studies rechten aan de KU Leuven, maar ik voelde me opgejaagd en schuldig. Had ik iets losgemaakt wat beter verborgen bleef?

Op een avond kwam Pieter mijn kamer binnen, zijn gezicht bleek. ‘Thomas, ik moet je iets vertellen.’

We gingen zitten op mijn bed. ‘Mijn grootvader… hij was Poolse vluchteling na WOII. Hij had een broer, Wojtek, die gestorven is toen hij nog kind was. Niemand praat daarover in onze familie.’

Ik voelde kippenvel over mijn armen trekken. ‘Denk je dat…’

Pieter knikte. ‘Mijn moeder heeft altijd gezegd dat er een vloek rust op onze familie. Sinds die avond gebeuren er rare dingen thuis: deuren die vanzelf dichtslaan, foto’s die van de muur vallen.’

Ik wist niet wat te zeggen. Mijn eigen familie lachte altijd met bijgeloof; mijn vader, een nuchtere boekhouder uit Mechelen, vond alles wat niet tastbaar was onzin. Maar nu twijfelde ik aan alles.

De sfeer in ons studentenhuis werd steeds grimmiger. Op een avond barstte de bom tijdens het avondeten.

‘Dit is allemaal jouw schuld!’ riep Sofie naar Pieter. ‘Jij had dat bord nooit mogen laten maken!’

‘En jij moest zo nodig contact zoeken met geesten!’ schreeuwde Pieter terug.

Els begon te huilen, Anke liep de kamer uit en Bram sloeg met zijn vuist op tafel: ‘Stop ermee! We zijn vrienden!’

Maar het kwaad was geschied. De groep viel uit elkaar; iedereen zocht zijn eigen weg om met de angst en schuld om te gaan.

Thuis werd het ook moeilijker. Mijn moeder merkte dat ik veranderde: ‘Thomas, wat scheelt er toch met jou? Je bent zo afwezig.’

Ik kon haar niet uitleggen wat er gebeurd was zonder gek te klinken. Mijn vader vond dat ik harder moest studeren: ‘Je zit daar in Leuven niet om te spoken, hé jongen.’

De weken sleepten zich voort. Ik haalde slechte punten voor mijn examens en voelde me steeds meer geïsoleerd. Op een nacht droomde ik opnieuw van Wojtek; deze keer stond hij aan het station van Leuven en wees hij naar de treinsporen.

De volgende dag kon ik niet anders dan Pieter bellen.

‘We moeten iets doen,’ zei ik. ‘Misschien moeten we naar je grootmoeder gaan en haar alles vragen over Wojtek.’

Pieter aarzelde maar stemde toe. We namen samen de trein naar Gentbrugge, waar zijn grootmoeder woonde in een oud rijhuisje vol vergeelde foto’s.

Ze keek ons streng aan toen we binnenkwamen. ‘Jullie hebben iets gedaan wat niet mocht,’ zei ze zonder dat we iets hadden uitgelegd.

Pieter slikte: ‘Oma… wie was Wojtek?’

Ze zuchtte diep en haar ogen vulden zich met tranen. ‘Wojtek was mijn jongste broer. Hij is gestorven toen hij zeven was, gevallen in de Leie tijdens het spelen… Niemand heeft hem ooit gevonden.’

Ik voelde een brok in mijn keel. ‘We hebben hem misschien wakker gemaakt,’ fluisterde ik.

Ze knikte langzaam. ‘Soms moet je het verleden laten rusten, jongen.’

Op de terugweg zwegen we allebei. In Leuven probeerden we het leven weer op te pikken, maar niets werd ooit nog zoals vroeger.

Sofie stopte met haar studies en verhuisde terug naar huis; Bram kreeg therapie voor zijn angsten; Jeroen verbrak elk contact met ons.

En ik? Ik bleef achter met vragen waar geen antwoorden op kwamen.

Nu, jaren later, als ik langs het oude studentenhuis wandel en de geur van natte herfstbladeren opsnuif, vraag ik me af: Wat als we die avond gewoon waren gaan pintelieren in de Oude Markt? Wat als we nooit dat ouijabord hadden aangeraakt?

Is het soms beter om niet te weten wat er onder de oppervlakte schuilt? Of moeten we juist onze demonen onder ogen zien om verder te kunnen leven?