Altijd jong? Mijn strijd met het spiegelbeeld en mijn familie

‘Weeral die vraag, mama? Wanneer ga je eindelijk stoppen met zagen over mijn haar?’ Mijn stem trilde, maar ik kon het niet meer tegenhouden. Mijn moeder, Annemie, stond in de deuropening van de badkamer en keek me aan zoals alleen moeders dat kunnen: teleurgesteld, bezorgd, maar vooral onbegrijpend.

‘Liesbeth, je moet toch een beetje moeite doen. Je bent bijna veertig, maar je loopt erbij als een student. Mensen gaan praten.’

Ik draaide me om naar het spiegelbeeld dat me al jaren achtervolgde. Mijn gezicht, glad en zonder rimpels, de sproeten nog zichtbaar op mijn neus. Mijn haar in een rommelige dot, geen make-up. Iedereen zei altijd: ‘Jij wordt niet ouder, Liesbeth! Wat is jouw geheim?’ Maar niemand vroeg ooit of ik dat wel wilde.

Mijn jeugd in Gent was doorspekt met complimenten die als steken aanvoelden. Op familiefeesten kneep tante Marleen altijd in mijn wang: ‘Zo’n babyface! Je zal later dankbaar zijn.’ Maar ik voelde me gevangen in een lichaam dat niet meegroeide met mijn ziel. Op school werd ik gepest omdat ik er als twaalfjarige uitzag toen ik zestien was. ‘Kleuter’, riepen ze op de speelplaats van het Sint-Bavohumaniora. Ik lachte het weg, maar ’s avonds in bed huilde ik stilletjes.

Toen ik op kot ging in Leuven, dacht ik dat het beter zou worden. Maar zelfs daar vroegen ze me om mijn identiteitskaart bij het bestellen van een pintje in de Blauwe Kater. Mijn vriendinnen lachten: ‘Jij gaat nooit rimpels krijgen!’ Ik lachte mee, maar diep vanbinnen voelde ik me onzichtbaar. Mannen zagen me niet staan, of ze dachten dat ik hun jongere zusje was.

Na mijn studies psychologie vond ik werk in een school in Aalst. De eerste dag vroeg de directeur: ‘Ben jij de nieuwe stagiaire?’ Toen ik zei dat ik de nieuwe leerkracht was, keek hij me ongelovig aan. De leerlingen namen me niet serieus. ‘Mevrouw, bent u wel oud genoeg om les te geven?’

Thuis bleef het thema van mijn uiterlijk als een schaduw over alles hangen. Mijn moeder bleef aandringen op make-up, op deftige kleren. Mijn vader, Luc, zei altijd: ‘Je moet blij zijn dat je er zo jong uitziet! Kijk naar je moeder, die zou haar rechterarm geven voor jouw huid.’ Maar ik voelde me een kind in een volwassen wereld.

Toen ik op mijn dertigste samenwoonde met Pieter, hoopte ik eindelijk rust te vinden. Pieter was anders. Hij zei nooit iets over mijn uiterlijk, maar zijn moeder wel. Tijdens het eerste familie-etentje zei ze: ‘Pieter, heb je nu een babysit meegebracht?’ Iedereen lachte. Ik lachte mee, maar voelde hoe mijn hart samentrok.

De jaren gingen voorbij en de opmerkingen bleven komen. Op het werk kreeg ik geen promotie omdat men dacht dat ik te jong en onervaren was. Op straat werd ik aangesproken door wildvreemden die vroegen naar mijn geheim. In de supermarkt vroeg de kassier of ik wel achttien was toen ik wijn kocht.

Mijn obsessie begon langzaam te groeien. Elke ochtend stond ik langer voor de spiegel. Ik probeerde make-up, andere kapsels, volwassen kleren. Maar niets hielp. Ik bleef eruitzien als een meisje van twintig. Pieter vond het allemaal overdreven: ‘Je bent mooi zoals je bent.’ Maar hij begreep niet hoe het voelde om nooit serieus genomen te worden.

Op een dag barstte de bom tijdens een familiefeest bij mijn ouders thuis in Merelbeke. Mijn zus Sofie, altijd elegant en volwassen ogend, kreeg complimenten over haar carrière en haar gezin. Toen men bij mij kwam, ging het weer over mijn uiterlijk.

‘Liesbeth, jij blijft eeuwig jong! Wat is jouw geheim?’ vroeg nonkel Jan luid.

Ik voelde hoe de woede opborrelde. ‘Misschien wil ik helemaal niet jong blijven! Misschien wil ik gewoon eens gezien worden als een volwassene!’

De stilte die volgde was ondraaglijk. Mijn moeder probeerde te sussen: ‘Maar meisje toch, we bedoelen het goed.’

‘Nee mama,’ snikte ik, ‘jullie bedoelen het goed voor jezelf. Jullie willen een dochter die nooit ouder wordt zodat jullie zelf ook jong blijven lijken.’

Sofie keek me aan met grote ogen. ‘Liesbeth…’

Maar ik kon niet meer stoppen. Alles kwam eruit: hoe ik me altijd minderwaardig had gevoeld naast haar, hoe niemand mij ooit serieus nam, hoe mijn zelfbeeld volledig bepaald werd door wat anderen van mij vonden.

Na die avond ben ik wekenlang niet naar huis gegaan. Pieter probeerde me te troosten, maar zelfs hij begreep niet wat er in mij omging. Ik voelde me alleen in een wereld die alleen maar waarde hechtte aan uiterlijk en jeugd.

Op het werk werd het ook moeilijker. Mijn collega’s begonnen te roddelen: ‘Ze denkt zeker dat ze beter is omdat ze er jong uitziet.’ Ik trok me steeds meer terug, at alleen op mijn bureau en vermeed sociale gelegenheden.

Op een dag kreeg ik een mail van Sofie: ‘Kunnen we praten? Ik mis je.’

We spraken af in het Citadelpark in Gent. Ze zat al op een bankje toen ik aankwam.

‘Liesbeth,’ begon ze voorzichtig, ‘ik wist echt niet dat je je zo voelde.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Niemand weet het.’

Ze pakte mijn hand vast. ‘Weet je… Ik ben soms jaloers op jou omdat jij nooit ouder lijkt te worden. Maar nu zie ik dat het voor jou ook een last is.’

We praatten urenlang over onze jeugd, over verwachtingen en onzekerheden. Voor het eerst voelde ik me gehoord.

Langzaam probeerde ik mezelf te accepteren zoals ik ben. Niet voor mijn ouders, niet voor Pieter of zijn familie, maar voor mezelf. Het was moeilijk om los te komen van jarenlange opmerkingen en verwachtingen.

Toch blijft het soms knagen als iemand zegt: ‘Jij hebt geluk!’ Want is het echt geluk als je nooit jezelf mag zijn?

Soms kijk ik nog steeds in de spiegel en vraag ik me af: wie ben ik eigenlijk achter dat jonge gezicht? En zal er ooit een dag komen waarop mensen mij zien zoals ik echt ben?