De Nacht Dat Alles Veranderde: Een Vlaamse Studentenflat en de Geest van de Overkant
‘Gij zijt zot, Zosia! Ge weet toch dat ge daar niet mee moet spelen?’ Mijn stem trilde terwijl ik naar het ouijabord keek dat op de keukentafel lag. De geur van koude pizza en goedkope wijn hing nog in de lucht, maar plots was het alsof alles stilstond. Zosia, de zus van mijn huisgenoot Pieter, keek me uitdagend aan. ‘Komaan, Jeroen, ge gelooft daar toch zelf niet in? Het is gewoon voor de fun.’
Ik voelde mijn hart bonzen. Het was een regenachtige donderdagavond in Leuven, en onze studentenflat was gevuld met het soort spanning dat je alleen voelt als er iets niet pluis is. Mijn drie huisgenoten – Pieter, Bram en Stef – zaten er wat ongemakkelijk bij. Bram probeerde te lachen: ‘Als we nu allemaal sterven vannacht, weet ik op wie ik ga spoken.’
We waren allemaal begin twintig, vol dromen en twijfels, maar die avond voelde ik me plots weer een kind dat bang was voor het donker. Zosia had haar vriendinnen meegenomen: Annelies en Fatima. Ze waren luidruchtig binnengevallen, hun stemmen galmden nog na in de gang. ‘We gaan contact zoeken met de andere kant,’ had Zosia gezegd, haar ogen glinsterden van opwinding.
‘Allez, wie doet er mee?’ vroeg ze terwijl ze het bord uit haar rugzak haalde. Niemand wilde echt toegeven dat hij bang was, dus schoven we allemaal aan tafel. De kaarsen flakkerden, het licht danste over onze gezichten. Ik voelde Bram naast me trillen van de zenuwen.
‘Oké,’ fluisterde Zosia plechtig, ‘we moeten allemaal een vinger op het glas leggen.’
Het begon onschuldig. We lachten om de vragen die Annelies stelde: ‘Wie gaat er als eerste trouwen?’ Het glas bewoog langzaam naar de letter F. ‘Fatima!’ riep Bram uit, en iedereen lachte. Maar toen werd het stil.
‘Is er iemand bij ons?’ vroeg Zosia met een stem die niet meer zo zeker klonk.
Het glas gleed naar de J. Dan naar de A. Vervolgens naar de S.
‘Jas…per?’ fluisterde Stef. ‘Kent iemand een Jasper?’
Niemand antwoordde. De lucht werd zwaar, alsof er plots geen zuurstof meer was. Ik voelde kippenvel op mijn armen.
‘Wat wilt ge?’ vroeg Zosia zachtjes.
Het glas begon sneller te bewegen. H-E-L-P.
Fatima trok haar hand weg. ‘Ik doe niet meer mee,’ zei ze, haar stem brak.
Plots sloeg de deur van de keuken dicht met een klap die door merg en been ging. Iedereen sprong op. ‘Dat is gewoon de tocht,’ probeerde Pieter te zeggen, maar zijn stem klonk hol.
Die nacht sliep niemand goed. Ik hoorde Bram huilen in zijn kamer. Stef liep tot diep in de nacht door het huis te ijsberen. En ik? Ik lag wakker en staarde naar het plafond, luisterend naar elk geluidje in het oude huis.
De dagen daarna veranderde er iets tussen ons. We lachten minder. Er hing een spanning die niet weg te krijgen was. Pieter werd stiller, trok zich terug op zijn kamer en vermeed oogcontact. Bram begon te drinken – meer dan anders – en Stef kreeg nachtmerries.
Op een avond kwam Pieter naar me toe. Zijn ogen waren rood van het huilen. ‘Jeroen, ik weet niet wat er aan de hand is, maar sinds die avond… ik voel me niet meer veilig in mijn eigen huis.’
Ik knikte. ‘Ik ook niet.’
We besloten samen met Stef en Bram te praten. In de woonkamer zaten we zwijgend bij elkaar, niemand durfde echt te beginnen.
‘Misschien moeten we iemand laten komen,’ zei Stef uiteindelijk. ‘Een priester of zo.’
Bram lachte schamper: ‘En wat gaat die doen? Wij zijn volwassen mannen, geen kinderen meer die bang zijn voor spoken.’
Maar niemand lachte echt mee.
De weken gingen voorbij en het werd erger. Dingen verdwenen uit onze kamers en doken op vreemde plekken weer op: mijn sleutels lagen plots in de koelkast, Stef vond zijn gsm in de tuin begraven onder natte bladeren. ’s Nachts hoorden we voetstappen op de gang terwijl iedereen in bed lag.
Zosia kwam nog eens langs om haar excuses aan te bieden. ‘Het was dom van mij,’ zei ze zachtjes terwijl ze haar ogen neersloeg. ‘Ik dacht echt niet dat er iets zou gebeuren.’
Pieter barstte uit: ‘Ge hebt ons leven kapotgemaakt! Sindsdien is niets nog normaal!’
Zosia begon te huilen en vluchtte het huis uit. Ik voelde me schuldig – zij had het misschien gestart, maar wij hadden allemaal meegedaan.
Op een avond – het regende weer pijpenstelen – hoorde ik iemand zachtjes mijn naam fluisteren terwijl ik alleen thuis was. Ik draaide me om maar zag niemand. Mijn hart bonsde in mijn keel.
Ik besloot mijn moeder te bellen, iets wat ik al jaren niet meer gedaan had zonder reden. Ze hoorde meteen dat er iets mis was.
‘Jeroen, ge moet dat huis laten zegenen,’ zei ze beslist. ‘En ge moet praten met elkaar. Ge kunt dit niet alleen dragen.’
We volgden haar raad op. Een oude pastoor uit Kessel-Lo kwam langs met wijwater en gebeden. Hij keek ons ernstig aan: ‘Soms zijn er dingen die we niet begrijpen, jongens. Maar samen staan jullie sterker dan alleen.’
Na zijn bezoek leek het huis lichter te worden – letterlijk en figuurlijk. De rare gebeurtenissen stopten niet meteen, maar werden minder frequent.
Toch bleef er iets hangen tussen ons vieren – een soort schuldgevoel, een onuitgesproken angst die nooit helemaal verdween.
Jaren later – we waren allemaal afgestudeerd en hadden elk ons eigen leven opgebouwd – kwamen we nog eens samen in Leuven voor een reünie. We dronken pintjes op het terras van De Blauwe Kater en lachten om oude verhalen.
Maar toen iemand vroeg: ‘Weet ge nog die avond met het ouijabord?’ viel er een stilte.
Pieter keek me aan en zei: ‘Soms vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als we gewoon nee hadden gezegd.’
Ik glimlachte flauwtjes en keek naar mijn lege glas.
En nu vraag ik mij af: hoeveel van onze angsten nemen we mee uit onze jeugd? En wat als sommige dingen nooit helemaal verdwijnen?