Tussen Hemel en Hel: Mijn Leven met de Geesten

‘Mama, er staat weer iemand in mijn kamer.’

Ik schrik wakker uit een onrustige slaap. Het is drie uur ’s nachts. Mijn zoon, Lucas, staat aan mijn bed, zijn gezicht bleek in het schijnsel van de straatlantaarn. Zijn stem trilt. ‘Ze kijkt gewoon naar mij. Ze zegt niks.’

Mijn hart bonkt in mijn borst. Ik weet meteen wie ‘ze’ is. Niet een buurvrouw of een verdwaalde vriendin, maar een van die zielen die ons huis al jaren lijken te bewonen. Ik trek Lucas dicht tegen mij aan en fluister: ‘Het is oké, schatje. Ze doen je geen kwaad.’ Maar diep vanbinnen weet ik dat ik lieg. Want wat als ze dat wél doen?

Mijn naam is Els De Smet, geboren en getogen in een klein dorpje nabij Aalst. Mijn leven is nooit gewoon geweest. Al sinds mijn kindertijd zie ik dingen die anderen niet zien: schaduwen in de hoeken van kamers, fluisteringen in de wind, soms zelfs een hand op mijn schouder als ik alleen ben. Mijn moeder zei altijd dat ik een levendige fantasie had, maar ik wist wel beter.

Toen ik twaalf was, zag ik voor het eerst een engel. Het was op de zolder van ons huis, tussen de oude koffers en vergeelde foto’s. Ze straalde licht uit dat niet van deze wereld was. Maar diezelfde nacht verscheen er ook iets anders: een donkere gestalte, met ogen als kolen en een stem die klonk als krassende nagels op leisteen. Ik heb weken niet geslapen.

Mijn vader, een nuchtere man die werkte in de fabriek van Ternat, lachte alles weg. ‘Ge moet niet zo zot doen, Els,’ zei hij altijd. ‘Ge zijt gewoon bang in het donker.’ Maar mijn moeder keek me soms aan met een blik vol medelijden én angst. Alsof ze wist dat er meer was tussen hemel en aarde dan ze wilde toegeven.

Toen Lucas geboren werd, hoopte ik dat hij gespaard zou blijven van deze gave – of vloek. Maar al op zijn derde begon hij te praten over ‘de meneer in de gang’ en ‘het meisje met de vlechten’ dat hem ’s nachts kwam bezoeken. Mijn man, Bart, probeerde het te rationaliseren. ‘Kinderen hebben veel fantasie,’ zei hij, maar zijn ogen werden steeds donkerder naarmate Lucas’ verhalen grimmiger werden.

De echte breuk kwam op een gure novemberavond. Lucas had weer eens een nachtmerrie gehad en riep om mij. Toen ik zijn kamer binnenkwam, stond hij rechtop in bed, zijn ogen wijd opengesperd. ‘Mama, de vrouw zonder gezicht zegt dat jij moet oppassen.’

Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Bart kwam binnenstormen, boos en moe van de eindeloze nachten zonder slaap. ‘Nu is het genoeg!’ riep hij. ‘Dit is niet normaal! We moeten hulp zoeken!’

We gingen naar een kinderpsycholoog in Gent. Lucas tekende tijdens de sessies huizen vol schaduwen en mensen zonder gezichten. De psycholoog keek me aan met die typische mengeling van medelijden en ongeloof die ik zo goed kende uit mijn eigen jeugd.

‘Misschien moet u zelf ook eens met iemand praten,’ zei ze voorzichtig.

Maar wat moest ik zeggen? Dat ik soms ’s nachts bezoek kreeg van een oude vrouw die rook naar lavendel en altijd hetzelfde liedje neuriede? Dat ik ooit in mijn dromen oog in oog stond met Santa Muerte – de Heilige Dood – hoewel ik haar nooit heb aanbeden? Dat Lucas soms wakker wordt en zegt dat hij naar de hemel is geweest en met God en Jezus heeft gesproken?

Onze familie begon zich steeds meer af te keren van ons. Op familiefeesten werd er gefluisterd als we binnenkwamen. Mijn schoonmoeder, Marie-Claire, zei op een dag rechtuit: ‘Els, ge moet stoppen met die nonsens in het hoofd van Lucas te steken.’

Ik voelde me alleen. Bart trok zich steeds verder terug in zijn werk als elektricien; hij kwam later thuis, praatte minder met mij en Lucas. Op een avond hoorde ik hem bellen met zijn zus: ‘Ik weet niet meer wat ik moet doen met Els en haar spoken.’

De enige die me begreep was mijn grootmoeder zaliger, maar zij was al jaren dood. Soms ruik ik haar parfum nog in huis – een mengeling van viooltjes en tabak – en dan weet ik dat ze even bij me is.

Op een dag besloot ik hulp te zoeken bij pater Jan uit onze parochiekerk. Ik zat trillend tegenover hem in de sacristie.

‘Vader, ik weet niet meer wat echt is en wat niet,’ fluisterde ik.

Hij keek me ernstig aan. ‘Els, er zijn mysteries die wij niet kunnen verklaren. Maar God laat niemand alleen.’

Toch voelde ik me verlaten door alles en iedereen.

Lucas bleef dingen zien. Soms kwam hij thuis van school met verhalen over overleden klasgenootjes die hem kwamen opzoeken op de speelplaats van het Sint-Jozefsinstituut. De juf belde me op: ‘Mevrouw De Smet, Lucas heeft het weer over geesten gehad tijdens de les godsdienst…’

Op een avond zat ik alleen aan tafel toen Bart thuiskwam.

‘We moeten kiezen,’ zei hij zonder omwegen. ‘Ofwel stop je hiermee – ofwel…’

‘Ofwel wat?’ vroeg ik zacht.

‘Ofwel ga ik weg.’

Die nacht sliep Bart op de zetel. Lucas kroop bij mij in bed en fluisterde: ‘Mama, waarom zijn mensen bang voor wat ze niet zien?’

Ik wist het antwoord niet.

De weken daarna werd het huis kouder, leger. Bart vertrok uiteindelijk naar zijn zus in Dendermonde. Lucas en ik bleven achter tussen onze geesten.

Op een avond zat ik te wenen in de keuken toen plots het licht begon te flikkeren en de geur van viooltjes zich door het huis verspreidde. Ik voelde een hand op mijn schouder – warm, geruststellend.

‘Het komt goed, Elske,’ hoorde ik zachtjes in mijn oor.

Lucas kwam binnen en keek me aan met zijn grote blauwe ogen.

‘Ze zeggen dat we niet alleen zijn, mama.’

Misschien is dat waar. Misschien zijn we nooit alleen geweest.

Soms vraag ik me af: zijn wij vervloekt of gezegend? En waarom is het zo moeilijk om te geloven in wat je niet kunt zien?

Wat denken jullie? Zou je liever alles zien wat er is – of toch liever niet?