De perfecte man. Maar niet voor mij.
‘Marie, gij moet nu echt eens komen kijken!’ Brigitte haar stem trilt van opwinding terwijl ze zonder kloppen mijn keuken binnenstormt. Ik schrik zo hard dat ik bijna de lepel uit mijn hand laat vallen. ‘Wat is er nu weer?’ vraag ik, terwijl ik barszcz blijf roeren, de geur van rode biet vult de kleine ruimte. Brigitte wijst met haar kin naar het raam. ‘Kijk naar Katrien en Jan, daar op hun terras. Ziet ge dat nu? Zo’n perfecte man, en dan zit zij daar maar te mokken.’
Ik zucht. Het is niet de eerste keer dat Brigitte met roddels over de buren komt. Maar deze keer is het anders. Ik kijk naar buiten en zie Jan, de man van Katrien, bezig met de barbecue. Hij lacht, helpt hun dochtertje Emma met haar fietsje, en Katrien zit ernaast, haar blik op oneindig. ‘Ze heeft het niet gemakkelijk, Brigitte,’ zeg ik zacht. ‘Gij weet niet wat er allemaal speelt bij hen thuis.’
Brigitte trekt haar wenkbrauwen op. ‘Allez, Marie, ge zijt altijd zo begripvol. Maar ik zou mijn beide handen geven voor zo’n vent. Altijd vriendelijk, werkt hard, nooit een slecht woord. En zij? Ze kijkt alsof ze elk moment wil weglopen.’
Ik draai me om, leun tegen het aanrecht en voel een steek van jaloezie. Mijn eigen man, Luc, is al jaren niet meer de man die hij ooit was. Sinds zijn ontslag bij de fabriek is hij verbitterd, kortaf. De liefde die ooit vanzelfsprekend was, is nu een verre herinnering. Soms vraag ik me af hoe het zou zijn om met iemand als Jan te leven. Iemand die nog lacht, die nog plannen maakt.
Die avond, als Luc thuiskomt, ruikt hij naar bier. ‘Wat eten we?’ bromt hij, zonder me aan te kijken. ‘Barszcz,’ antwoord ik. Hij knikt, ploft in de zetel en zet de tv aan. Ik kijk naar zijn rug en voel de afstand tussen ons groeien. In mijn hoofd echoën Brigitte haar woorden: ‘Zo’n perfecte man…’
De dagen daarna kan ik het niet loslaten. Overal waar ik ga, lijkt Jan op te duiken. In de supermarkt, op het schoolplein, zelfs in de kerk op zondag. Altijd met diezelfde warme glimlach. Op een dag, als ik Emma zie vallen met haar fiets, schiet ik toe om haar te helpen. Jan komt aangelopen, bezorgd. ‘Merci, Marie, ge zijt een engel,’ zegt hij. Zijn hand raakt even de mijne. Het is maar een seconde, maar het voelt als een eeuwigheid.
Die avond lig ik wakker. Luc snurkt naast me, en ik staar naar het plafond. Mijn gedachten razen. Waarom voel ik me zo aangetrokken tot Jan? Is het omdat hij alles is wat Luc niet meer is? Of is het gewoon de hunkering naar iets nieuws, iets dat me weer doet leven?
Een week later, tijdens het buurtfeest, gebeurt het onvermijdelijke. Katrien is nergens te bekennen, en Jan staat alleen aan de bar. Ik loop naar hem toe, mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Alles oké met Katrien?’ vraag ik voorzichtig. Hij zucht diep. ‘Het gaat niet goed, Marie. Ze is ongelukkig. Ik weet niet meer wat ik moet doen. Soms denk ik dat ze beter af zou zijn zonder mij.’
Zijn woorden raken me dieper dan ik wil toegeven. ‘Ge zijt een goeie man, Jan. Iedereen ziet dat,’ fluister ik. Hij kijkt me aan, zijn ogen vol verdriet. ‘Maar dat is blijkbaar niet genoeg.’
We staan daar, twee mensen die allebei iets missen in hun leven. De muziek zwelt aan, mensen lachen en dansen, maar wij zijn gevangen in onze eigen wereld. Op dat moment voel ik een onzichtbare draad tussen ons. Een verlangen dat ik niet mag hebben, maar dat er toch is.
Na het feest wandel ik alleen naar huis. De lucht is zwaar, het ruikt naar regen. Thuis zit Luc nog altijd voor de tv, zijn blik leeg. Ik wil iets zeggen, hem vragen of hij me nog graag ziet, maar de woorden blijven steken in mijn keel. In plaats daarvan ga ik naar boven, trek de deur achter me dicht en laat de tranen eindelijk komen.
De weken verstrijken. Brigitte blijft roddelen, Katrien wordt steeds stiller, en Jan lijkt elke dag een beetje meer te verdwijnen. Op een avond, als ik de vuilnis buitenzet, hoor ik stemmen in de tuin van Jan en Katrien. Ze ruziën. ‘Waarom probeer je het niet eens te begrijpen?’ roept Katrien. ‘Ik ben niet gelukkig, Jan! Niet met jou, niet met mezelf, met niks!’
Jan antwoordt niet. Ik hoor alleen zijn zware ademhaling. Dan, plots, een deur die dichtslaat. Katrien stormt naar buiten, haar ogen rood van het huilen. Ze ziet mij staan en blijft even staan. ‘Marie… soms denk ik dat ik gewoon moet vertrekken. Alles achterlaten. Maar Emma…’
Ik weet niet wat te zeggen. ‘Het komt wel goed, Katrien,’ probeer ik, maar ik hoor zelf hoe leeg het klinkt. Ze schudt haar hoofd en loopt de straat uit, de nacht in.
De volgende ochtend is Katrien verdwenen. Jan belt aan bij mij, zijn gezicht grauw. ‘Hebt ge haar gezien?’ vraagt hij. Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, Jan. Maar ze komt wel terug. Ze heeft gewoon tijd nodig.’
Hij knikt, maar ik zie de wanhoop in zijn ogen. ‘Ik weet niet wat ik verkeerd heb gedaan, Marie. Ik heb alles geprobeerd. Maar misschien… misschien ben ik gewoon niet de juiste man voor haar.’
Die avond, als ik alleen in de keuken zit, denk ik aan alles wat er gebeurd is. Aan Luc, die steeds verder van me afdrijft. Aan Jan, die ondanks alles blijft proberen. Aan Katrien, die haar geluk zoekt, zelfs als dat betekent dat ze moet breken met alles wat ze kent.
Plots besef ik dat de perfecte man niet bestaat. Of misschien wel, maar niet voor iedereen. Wat voor de ene vrouw een droom is, is voor de andere een kooi. En wat ik verlang bij Jan, is misschien gewoon het gemis van wat ooit was met Luc.
De dagen worden weken. Katrien komt terug, maar alles is anders. Ze praat nauwelijks met Jan, en Emma lijkt ouder dan haar jaren. Brigitte blijft roddelen, maar ik luister niet meer. Ik heb mijn eigen strijd te voeren.
Op een avond, als Luc vroeg naar bed is, ga ik naar buiten. De lucht is fris, de sterren fonkelen. Ik denk aan Jan, aan Katrien, aan mezelf. Aan alle vrouwen in onze straat die dromen van een beter leven, een betere man, een beter zichzelf.
Misschien is dat het echte drama: dat we allemaal zoeken naar iets wat we niet kunnen hebben. Of misschien moeten we gewoon leren houden van wat we wel hebben, met al zijn gebreken.
Ik kijk naar het huis van Jan en Katrien, waar het licht nog brandt. ‘Zou het ooit nog goedkomen?’ fluister ik in de nacht. ‘Of zijn we allemaal gewoon op zoek naar de perfecte man, terwijl we zelf niet eens weten wat we echt willen?’