Onder de Regen van Gent: Het Leven van Els De Wilde
‘Els, waar ga je naartoe? Het is midden in de nacht!’
De stem van Bart galmt nog na in de gang, terwijl ik met trillende handen Simon tegen me aandruk. Zijn kleine lijfje voelt slap van de slaap, zijn hoofdje rust tegen mijn schouder. Mijn hart bonkt in mijn keel. Buiten slaat de regen tegen de ramen van ons rijhuis in Gentbrugge. Ik weet dat ik moet gaan, nu, voordat Bart weer nuchter wordt en zijn excuses begint te mompelen. Maar zijn stem houdt me tegen, als een touw rond mijn enkels.
‘Ik ga naar mama en papa,’ fluister ik, meer tegen mezelf dan tegen hem. ‘Ik kan dit niet meer.’
Bart staat in de deuropening, zijn ogen rood door de drank en het huilen. ‘Els, alsjeblieft. Het was gewoon… het was te veel vandaag. Op het werk, en dan Simon die maar blijft wenen…’
Ik kijk hem aan, zoekend naar de man op wie ik ooit verliefd werd. De jongen die me op een regenachtige dag op de Graslei een paraplu aanbood, die lachte met mijn West-Vlaamse accent en me meenam naar zijn favoriete café in de Sint-Pietersnieuwstraat. Maar die jongen is weg. Wat overblijft is een man die zijn verdriet verdrinkt in Jupiler en goedkope whisky, die schreeuwt als hij zich machteloos voelt.
‘Ik kom terug als je nuchter bent,’ zeg ik, terwijl ik Simon steviger vasthoud. ‘Voor nu… moet ik weg.’
Hij laat zich op de trap zakken, hoofd in zijn handen. ‘Je laat me toch niet alleen? Niet weer?’
Ik draai me om en loop de regen in, Simon onder een dekentje gewikkeld. Mijn ouders wonen nog steeds in het huis waar ik ben opgegroeid, aan de rand van Merelbeke. De rit ernaartoe duurt twintig minuten, maar elke seconde voelt als een eeuwigheid. Simon slaapt weer in de auto, zijn ademhaling rustig.
Mijn moeder doet open voordat ik kan aanbellen. Ze kijkt naar mijn natte haar, naar Simons slapende gezichtje, en zonder iets te zeggen trekt ze me binnen.
‘Weer ruzie?’ vraagt ze zacht.
Ik knik. Mijn vader komt uit de keuken, zijn gezicht strak. ‘Je weet dat je hier altijd welkom bent, Els. Maar…’
Dat ‘maar’ hangt als een donderwolk boven ons. Mijn ouders zijn van het soort dat gelooft dat je je huwelijk redt, wat er ook gebeurt. Mijn moeder heeft haar eigen verdriet geslikt toen mijn vader jaren geleden zijn werk verloor en zich verloor in bitterheid. Ze bleef. Voor mij, zegt ze altijd.
Die nacht slaap ik op mijn oude kamer, Simon naast me in het kinderbedje dat mijn moeder uit de kelder heeft gehaald. Ik staar naar het plafond en vraag me af of ik sterk genoeg ben om weg te blijven.
De volgende ochtend belt Bart. Zijn stem klinkt schor.
‘Els… het spijt me zo. Ik weet niet wat er met me gebeurt. Kom alsjeblieft terug.’
Ik zwijg. Mijn moeder kijkt me aan over haar kop koffie heen. ‘Je moet doen wat goed is voor Simon,’ zegt ze.
Maar wat is goed? Een kind zonder vader laten opgroeien? Of hem laten opgroeien tussen ruzies en gebroken beloftes?
Twee weken blijf ik bij mijn ouders. Bart stuurt bloemen, brieven, zelfs een kaartje van Simon waarop hij met bibberige letters ‘Mama kom thuis’ heeft geschreven – uiteraard door Bart zelf geforceerd. Mijn hart breekt telkens opnieuw.
Op een avond zit ik met mijn vader op het terras. Hij steekt een sigaret op, iets wat hij alleen doet als hij nerveus is.
‘Els,’ zegt hij, ‘ik heb nooit gewild dat jij hetzelfde zou meemaken als je moeder.’
Ik kijk hem aan. ‘Waarom bleef mama dan?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Omdat ze dacht dat het beter was voor jou. Maar misschien had ze ongelijk.’
Die nacht besluit ik terug te gaan. Niet omdat ik Bart geloof, maar omdat Simon elke ochtend vraagt waar papa is. Omdat mijn moeder zegt dat kinderen hun vader nodig hebben, zelfs als die vader gebroken is.
De eerste weken zijn beter. Bart drinkt minder, gaat zelfs naar een AA-groep in het buurtcentrum aan de Dampoort. We praten meer, over kleine dingen: Simons school, het weer, onze buren die hun huis verbouwen en altijd lawaai maken op zondagmorgen.
Maar na drie maanden sluipt de oude gewoonte terug binnen. Eerst is het één pintje na het werk, dan twee. Op een avond komt hij thuis met bloeddoorlopen ogen en ruikt hij naar drank en sigaretten.
‘Bart…’ begin ik voorzichtig.
Hij zwaait met zijn hand. ‘Niet nu, Els. Ik heb een rotte dag gehad.’
Simon zit in de woonkamer met zijn Lego-blokken te spelen. Hij kijkt niet op als Bart binnenkomt.
Die nacht lig ik wakker naast Bart, die snurkt met open mond. Ik voel me gevangen tussen schuld en angst. Wat als Simon later zegt dat ik niet genoeg geprobeerd heb? Wat als hij mij verwijt dat ik zijn vader heb afgepakt?
De tweede keer dat ik vertrek is het zomer. De lucht boven Gent is zwaar van onweer. Bart heeft net zijn job verloren bij Volvo Trucks – herstructurering, zeggen ze – en hij drinkt meer dan ooit.
Op een avond gooit hij een glas kapot tegen de muur omdat Simon zijn groenten niet wil eten.
‘Wat ben jij voor moeder?’ schreeuwt hij naar mij. ‘Je laat hem alles doen wat hij wil!’
Simon huilt stilletjes aan tafel. Ik neem hem bij de hand en loop naar boven, sluit ons op in de badkamer tot Bart in slaap valt op de sofa.
De volgende ochtend pak ik onze koffers terwijl Bart nog slaapt. Simon vraagt: ‘Gaan we weer naar oma?’
Ik knik en probeer te glimlachen.
Mijn ouders zeggen niets als ik weer voor hun deur sta. Mijn moeder maakt warme chocomelk voor Simon en zet hem voor de televisie.
Deze keer blijf ik langer weg – drie maanden. Ik zoek werk in Gent: parttime in een bakkerij aan het Sint-Pietersplein, daarna als administratief bediende bij een klein advocatenkantoor.
Bart belt elke week, soms dronken, soms nuchter. Hij smeekt me terug te komen.
‘Simon mist je,’ zeg ik op een dag aan de telefoon.
‘Ik mis jullie ook,’ antwoordt hij zachtjes.
Mijn vader zegt: ‘Misschien moet je nu echt kiezen voor jezelf.’
Maar hoe doe je dat als je hart verscheurd wordt tussen liefde en angst?
Op een dag komt Bart langs bij mijn ouders thuis. Hij ziet er slecht uit: magerder, wallen onder zijn ogen.
‘Els… Ik ben opgenomen geweest,’ zegt hij zachtjes. ‘In Sint-Camillus. Ik wil beter worden.’
Mijn moeder kijkt me aan met vochtige ogen. Mijn vader draait zich om en loopt naar buiten om te roken.
Simon rent naar Bart toe en slaat zijn armpjes om zijn benen.
‘Papa!’
Ik voel hoe mijn hart breekt en weer heel wordt tegelijk.
We proberen het opnieuw – voor Simon, voor onszelf misschien ook wel. Maar het vertrouwen is broos als glas.
Soms vraag ik me af of liefde genoeg is om iemand te redden die zichzelf niet kan redden. Of ik sterk genoeg ben om te blijven vechten voor iets wat misschien al lang verloren is gegaan.
En jullie? Hebben jullie ooit moeten kiezen tussen jezelf en iemand die je liefhebt? Wat zou jij doen als je elke dag opnieuw moest beslissen of je blijft of vertrekt?