Wanneer dromen botsen met de werkelijkheid
‘Mevrouw, ge hebt mijn auto geraakt!’ Mijn stem trilde van woede terwijl ik naar de vrouw wees die net haar Mini Cooper tegen mijn oude Peugeot had gezet. Ze stond daar, midden op de Kouter, in een veel te witte bontjas voor zo’n grijze dag. ‘Excuseer, maar ik had u niet gezien,’ zei ze, haar stem ijzig kalm. ‘Misschien moet ge leren parkeren,’ beet ik haar toe. Mijn handen trilden niet alleen van de kou, maar ook van frustratie. Hoeveel pech kan een mens hebben op één ochtend?
Ik was al te laat voor mijn sollicitatiegesprek bij het UZ Gent. Mijn moeder had me die ochtend nog gebeld: ‘Bart, ge moet nu eindelijk eens iets van uw leven maken. Uw broer Steven is al bijna dokter, en gij? Gij blijft maar dromen.’ Haar woorden sneden dieper dan de vrieskou. Ik wilde haar bewijzen dat ik het kon, dat ik niet altijd de verloren zoon zou blijven.
‘Meneer, ik heb haast. Kan dit niet gewoon via de verzekering?’ De vrouw keek me nauwelijks aan terwijl ze haar handtas doorzocht. ‘Natuurlijk, altijd via de verzekering,’ mompelde ik. ‘Mensen met geld lossen alles op met papierwerk.’
Toen ik eindelijk in het ziekenhuis aankwam, was mijn hemd nat van het zweet en mijn humeur beneden alle peil. De receptioniste keek me streng aan: ‘U bent te laat, meneer De Smet.’
‘Het spijt me, er was een ongeluk…’
‘Dat is uw verantwoordelijkheid nietwaar? Hier werken we met mensenlevens.’
Ik voelde me kleiner worden. Alsof ik weer die jongen was die op school altijd als laatste gekozen werd bij voetbal. Maar ik zette door, deed mijn best tijdens het gesprek, lachte om hun flauwe mopjes en probeerde niet te denken aan de blik van teleurstelling die straks op mama’s gezicht zou staan.
Thuis wachtte ze me al op in de keuken. De geur van stoofvlees hing zwaar in de lucht.
‘En? Hoe ging het?’ vroeg ze zonder op te kijken van haar aardappelschilmesje.
‘Het ging… oké,’ loog ik. ‘Ze bellen nog.’
Ze zuchtte diep. ‘Bart, ge zijt bijna dertig. Wanneer gaat ge nu eens volwassen worden? Steven heeft zijn huis al gekocht in Sint-Martens-Latem. Gij woont nog altijd hier.’
‘Niet iedereen wil hetzelfde leven als Steven,’ zei ik zacht.
Ze draaide zich om, haar ogen vochtig. ‘Gij waart altijd al anders. Maar dromen brengen geen brood op de plank.’
Die nacht lag ik wakker en dacht aan vroeger. Aan papa die te vroeg gestorven was, aan hoe Steven altijd alles goed deed en ik altijd net niet genoeg was. Ik dacht aan mijn droom om schrijver te worden, aan de verhalen die ik als kind verzon in het park achter ons huis in Mariakerke.
De volgende ochtend kreeg ik telefoon van het ziekenhuis: ‘Meneer De Smet, we hebben voor iemand anders gekozen.’
Ik voelde iets breken in mij. Ik liep naar beneden, waar mama koffie zette.
‘Ze hebben niet gebeld zeker?’ vroeg ze zonder op te kijken.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ze hebben iemand anders gekozen.’
Ze knikte alleen maar. Het was alsof ze het al wist.
Die dag dwaalde ik door Gent, langs de Graslei waar koppels hand in hand liepen en studenten lachten op terrasjes. Ik voelde me onzichtbaar tussen al die mensen met hun eigen levens en zekerheden.
Plots hoorde ik een stem achter mij: ‘Meneer! Meneer De Smet!’ Het was de vrouw van het ongeluk. Ze stond daar weer, haar bontjas nu opengewaaid door de wind.
‘Ik heb u gezocht,’ zei ze. ‘Ik voelde me schuldig over gisteren. Mag ik u trakteren op een koffie?’
We gingen samen naar een klein café aan de Vrijdagmarkt. Ze heette Els Vermeulen en bleek advocate te zijn.
‘Waarom zijt ge zo kwaad?’ vroeg ze plots. ‘Het is maar een auto.’
Ik lachte bitter. ‘Het is niet alleen de auto. Het is alles wat misloopt. Mijn moeder die nooit trots is, een broer die alles beter doet…’
Ze keek me lang aan. ‘Weet ge, mijn ouders wilden dat ik notaris werd. Maar ik wilde mensen helpen. Dus werd ik advocate, tegen hun zin in.’
Haar woorden raakten me meer dan ik wilde toegeven.
De dagen daarna bleef Els bellen. We gingen samen wandelen in het Citadelpark, dronken pintjes in De Dulle Griet en praatten over dromen en verwachtingen.
Op een avond vroeg ze: ‘Waarom schrijft ge niet gewoon uw verhaal neer? Misschien moet ge stoppen met proberen te zijn wie uw moeder wil dat ge zijt.’
Ik begon te schrijven. Eerst aarzelend, dan steeds meer. Over papa’s dood, over mama’s verdriet, over Steven die alles goed deed en ik die altijd faalde.
Toen Steven hoorde dat ik met Els omging, werd hij kwaad.
‘Bart, weet ge wel wie zij is? Haar vader heeft ooit ons huis bijna laten veilen toen papa stierf! Ge kunt toch niet met haar omgaan?’
Ik voelde woede opborrelen. ‘Misschien moet gij eens stoppen met alles te controleren! Ik ben geen kind meer!’
Mama koos Steven’s kant: ‘Bart, ge brengt alleen maar problemen mee naar huis.’
Die avond pakte ik mijn spullen en trok bij Els in haar appartement aan de Coupure.
Het was niet makkelijk. Ik vond werk als magazijnier bij Colruyt om rond te komen terwijl ik ’s avonds schreef aan mijn roman.
Els steunde me, maar soms voelden we beiden de druk van onze families. Haar moeder weigerde me te ontmoeten (‘Een schrijver zonder boek? Dat is geen beroep!’) en mama belde steeds minder.
Op een dag kreeg ik een brief van een uitgeverij in Antwerpen: ze wilden mijn manuscript uitgeven.
Ik rende naar Els en we huilden samen van geluk.
Maar toen het boek uitkwam en succes had – recensies in De Standaard, interviews op Radio 1 – kreeg ik plots telefoontjes van familieleden die jaren niets van zich hadden laten horen.
Steven stuurde een bericht: ‘Proficiat broertje. Misschien moeten we eens praten?’
Mama belde uiteindelijk ook: ‘Bart… misschien heb ik u onderschat.’ Haar stem brak.
Op een koude winteravond zat ik alleen op mijn balkon met zicht op de Leie en dacht na over alles wat gebeurd was.
Heb ik eindelijk gevonden wat ik zocht? Of blijf ik altijd verlangen naar iets wat er nooit echt zal zijn?
Wat denken jullie: kan een mens ooit echt loskomen van zijn verleden? Of dragen we onze familie altijd met ons mee?